Zijn gedachten nemen de eerste afslag. Te vroeg. Hij komt in een voor snelverkeer doodlopende straat. Slechts een kleine ronde poort aan de andere kant geeft toegang tot wat daarna komt. Van de doorgaande weg die hij de rug heeft toegekeerd hoort hij het geluid van het leven langs razen. Het gaat snel. Er is haast. Maar hij staat hier, kijkt naar de muren die tot aan de hemel rijken en waant zich veilig. Een bastion opgetrokken uit stapels herinneringen en ervaring, rustend op een fundament van opvoeding en karakter. Met de jaren verstevigd onder een flinke laag klimop.
Mochten de muren de neiging tot wijken krijgen dan houden de vastgeklonken stammen en vertakkingen het geheel toch bij elkaar. Hij heeft de klimop zien groeien. Vertedering maakt zich van hem meester wanneer hij terugdenkt aan de kleine stekjes die hij ooit plantte. Bescheiden groene sprietjes die voorzichtig uit de donkerbruine aarde tevoorschijn kwamen. Korreltje naar links, korreltje naar rechts en weer een blaadje erbij. Groot voor je er erg in had.
Waar hij nu staat komt geen zon meer. Alles is schaduw. Alleen de poort in deze steeg werpt een lang zwak licht dat reikt tot waar hij staat. Met opgeheven hoofd legt hij zijn oor te luisteren. Vanuit de verte klinken flarden van lang geleden. “Dat moeten de plaatsen verderop zijn waar ik ooit graag kwam”, bedenkt hij zich. Daar heeft hij gelachen, geleefd en beleefd. Gezien wat er te koop was en na een dag vol plezier dronken van geluk in bed gestapt.
Plekken die nu vol met dingen zijn waarvan hij niets weet. Hij is er nog wel eens geweest in een poging tot herkenning maar zag slechts vreemde gezichten. Herinneringen en mensen zijn er vertrokken zonder verhuisbericht. Ook de nuance zit verstopt achter kleurloze gevels. Dubbeldichte deuren houden haar binnen. Er is alleen nog contrast, alles is zwart en wit.
Hij buigt het hoofd en zijn blik landt op goedgepoetste schoenen. Plots komen ze in beweging. Met verwondering kijken de ogen naar de vorm om zijn voeten. Zijn adem stokt. “Wat doen jullie?”, vraagt hij hardop. Geen antwoord. De voeten ontdoen zich van hun omhulsels en vervolgen zwijgend hun weg langs de streep licht die uit de poort schijnt. “Wat doen jullie?”, hoort hij zichzelf nogmaals zeggen, nu met geknepen stem. Zijn blik vlucht naar links en rechts, op zoek naar houvast. Hij ziet dat de klimop loskomt van de bakstenen muur. “Néé, niet laten gaan!” “De muren, de muren!” Maar de gebladerde takken luisteren niet. De lange slierten zakken langzaam en gedragen door de wind van de bakstenen. De dikke stammen ondersteunen het samengebundelde bladerdek tegen zijn rug. Hij kijkt op naar de muren en ziet de sporen van verval. Afgebrokkeld cement, scheuren in de stenen. Maar ze staan nog rechtop, bijeengehouden door tijd. Zijn kleren vallen als zorgen van hem af.
Met zijn blik vooruit loopt hij blootsvoets naar de poort waar het licht nu feller is en de warmte overweldigend. De stralen strelen zijn wangen, van binnen ontploft een gevoel van intens geluk. Hij voelt hoe zich een glimlach op zijn gezicht vormt. Zacht zegt hij: “Mama, hier ben ik”.
Het meeste dat ik schrijf is licht en luchtig leesvoer. Maar soms heb ik ineens een ‘vibe’ en komt er een heel ander stukje tekst onder de toetsen vandaan. Misschien dat ik nog eens een apart blog aanmaak, waar deze andersgestemde stukjes een plek krijgen. Maar voorlopig maar onder de categorie ‘Anders dan normaal’ dus!